De schelle toon blijft immer overheersen/ maakt van de rest een grote wanvertoning
Hij vertelde ons van de sprookjes, hij had graag in de Efteling gewoond
Ookal was hij atheïst over God praten maakte zijn ogen groot
zelfs hij-
Napoleon op het paard, hij at graag eendenmossellen hij gooide hoge ogen met zijn lasso en maakte schilderijen van meerminnen en de toekomstige stad Utrecht
Zelfs hij-
Hij gaf grauwe stoeptegels glans maar vervormde als een straat op zijn kant
toen zij moest huilen was hij was stil en deden zijn ogen het niet
(zo restte ons niets anders:)
Wij klonken maar
op het nieuwe jaar
Met een traantje op de kraag
Abonneren op:
Posts (Atom)