alles is stuk
mijn gezicht breekt als ik in de spiegel kijk mijn ogen durven zichzelf niet aan te kijken mijn huid verafschuwen ze het is de vaalheid van zijn wat de reflectie bevreemd
ik ben het niet

ik heb de sneeuw zien vallen vannacht, vanaf het moment dat het viel 
m'n gordijnen zijn nooit dichtgeweest 
het is een moment om altijd te onthouden met de maan er boven zo mooi
 weer helemaal alleen


Wissen wens waan 
Wissen weg want

ik kom er niet meer op. het heeft te maken met Engelse uitspraken en "wanneer ik een dier werd"
want toen werd het stil
dat ik dier werd en als dier bedacht dat mensen doen alsof ze moeilijk doen en zijn maar eigenlijk they do take the easy way out

ik noem jou wel joh als jij mij alle vrouwen noemt

was het het gemak waarmee ik over de borstel uiteen gereten werd
als losse kledingstukken mijn ledematen op de grond -paste ik niemand meer-
was het de herhaling waarin ik verdronk
kronkelend naakt op de koude rand
ons glimmend gladde zwembadje met verslapt volgezogen letters
nog een keer de wanhopige reanimatie
h i e r
l i e g h
h a r l i n g e
a l i e n

Midden in de nacht en alleen. af en toe rijdt er een auto langs maar ik kan niet meer schreeuwen
ik kan piepen
ik kan blazen
ik kan snuffen
ik kan krabben

ik ben een dier en ik ben alleen
ik ben een dier en ik heb het koud





wat een trots, laat ze me haten
zorgen maken is de kunst
door de laatste loten zwaar verlaten
smaakt het papier naar gifzwart gunst

trekken, duwen, bijten, stompen,
want los is wat het kosten zou
terug in mijn hok
ik laat je me haten
is niets meer wat het zouden wou



Angst huist in mij
een tijdje, tot het eenzaam werd
schaamte en spijt nam hij aan
zonder te overleggen
Ze bleken een ramp om mee te leven

Ongenode vrienden bleven slapen,
herrie, lawaai, dreunen de deuren
duwen en draaien, drank en nog meer herrie
eindeloze herrie waar geen einde aan kwam

Maar de economie is slecht
dus we blijven maar zitten
Ik blijf gewoon wel hopen
dat de pannen houden

Dingen kunnen zo gruwelijk instorten

De schelle toon blijft immer overheersen/ maakt van de rest een grote wanvertoning


Hij vertelde ons van de sprookjes, hij had graag in de Efteling gewoond
Ookal was hij atheïst over God praten maakte zijn ogen groot
zelfs hij-

Napoleon op het paard, hij at graag eendenmossellen hij gooide hoge ogen met zijn lasso en maakte schilderijen van meerminnen en de toekomstige stad Utrecht
Zelfs hij-

Hij gaf grauwe stoeptegels glans maar vervormde als een straat op zijn kant
toen zij moest huilen was hij was stil en deden zijn ogen het niet

(zo restte ons niets anders:)
Wij klonken maar
op het nieuwe jaar
Met een traantje op de kraag
Want.

Soms vier je dingen, soms huil je
Niemand hier is met een gouden lepel in de mond geboren
Niemand hier kan gieren
en
Niemand is hier blij dat hij twee benen heeft


Ik ben eigenlijk altijd een beetje boos


Het was lang geleden dat zij de kaart ontving, lang geleden dat zij de haare had verstuurd
Toen van adressen in agenda's, nu opgegeten ruimte
Ik vroeg me toen af of ik het zelf had geschreven
of ik het zelf beloofd en beleefd had

De kaart had zij bewaard en teruggevonden bij het opruimen, nu op de wc las zij het terug

Een belofte

Ooit vieren we samen ons eigen succes in de tijd van een ander
Laten wij een rijmpje schrijven Ja ik zal een rijmpje schrijven Schiet mij maar lek stomp ik jou op je bek
"People please", de agente kuchte even, "stop chewing at each other"