"Die met die wimpers en die nagels. Echt ja, hallo. Dr tieten ook. Maar ze is niet goed joh, we denken dat ze borderline heeft..."
He, Hoe kan je dat nu verwachten van iemand met een kop vol dwaze gedachten Stom Met pijn in mijn hart pak ik mijn zorgen apart Proberend met nieuw zucht oud leed te verzachten Wie heeft een zwijn gemaakt van jou Schoon schip met matrozen Reeds verzuipend elkaar nog verachten, verkrachten Rennend in een bos van rozen
Als je dan een maandje al je haar laat staan zie je pas wat je echt bent
Er was eens, nog dit heden, een leven dat teveel vroeg Zijn pionnetjes keken hem peinzend aan Ze begonnen van angst heel enorm hard te dansen En allemaal dansen, dus niemand mocht staan Hun zwart- witte voetjes werden moe, zo moe maar de pionnetjes hielden stug vol Hun kopjes maakten grimassen naar elkaar En ze scheeuwden: Kijk naar ons, want wij hebben lol! (en ze geloofden het)
Als ik eens een hobby vind berg je dan maar
En maar anderen de schuld geven van je leven Wat is dat तोच Laat je me dat zien laat ik me uitlokken tot uitspraken Knetterende letters die ik zelf niet lijk te maken Wat is dat toch Die zwarte straal van niet nuttig opgekropte haat Mijn mond zoveel en zoveel te vaak in gruwelijke scherpe uitroeptekens verlaat Wat is dat toch Het niet verzetten van mijn wiebelig zware poten Ik wilde allang toch al daar gaan staan? En nog steeds sta ik hier maar wat te kloten Wat is dat toch Ik kan mezelf niet duwen blijf hier maar gewoon Kijk me dan kijken niet wetend wie ik ben Niet wetend op wie of waar ik ooit zou willen lijken Gadverredamme
Huilend keek ik naar mezelf. Sneihard huilend. Ouderwets tomeloos verdriet Mijn oogwit zacht en ik wilde dat het stopte. Ik wilde dat het nu eens eindelijk stopte maar ik en ik hadden samen besloten. Ik ben een hopeloos mens en ik snap helemaal geen kont van het leven. Gister nog bekeek ik je, dat je daar zo zat. Lief en klein en met jezelf. En wederom draai ik me om en in de knoop. Gisteren en vandaag kan ik vergeven maar echt hoe moet dat verder. Ik weet dat ik nooit zou kunnen vergeten dat ik vergat.
Cirkel door haar hoofd mijn vrind het jong is vies maar onze adem toch ook. Kan zij haar verbittering tegengaan koestert de momenten op haar mooie zwarte fiets. Geef haar een lekke band zodat ze kan lopen. De mens tegemoet. Het is tijd voor een vrolijke noot er zijn er zoveel die een glimlach verdienen. Wat moet je van me. Ik ben blij met mijn muizen. Ze zijn geen kat en ze houden niet van me denk ik maar we ontbijten samen met mueslibol en banaan. Ja hij zit er nog steeds maar negeer hem gewoon dat kan hij ook heel goed. Zogenaamd zijn we druk, te druk met figuurpoepen en prietpraten. Negeer hem alsof hij er al heel lang is of lang niet meer. Met zijn staart tussen zijn kloten zal hij wegkruipen afdruipen en we negeren hem. We liggen toch eigenlijk prima onder ons dekbed. Eigen schuld.
DENKEN. Maakt meer kapot dan je lief is. Ik ben niet raar; ik denk na.
Gulpengraaiers en schuinsmarcheerders Ik ben geschrokken van jullie en ik blijf maar schrikken Paniek verlamd mij als ik wakker word van de zoveelste knagende nacht Er kan geen pil tegenop. Waar moet het heen waar moet ik heen als het hierheen moet Ik blijf je zoeken we blijven rennen springen in elkaars armen zullen we elkaar en onszelf blijven verraden. Het voelt zo raar. Angst is verraad die niet vergaat bij de tandarts.