He,
Hoe kan je dat nu verwachten van iemand met een kop vol dwaze gedachten
Stom
Met pijn in mijn hart pak ik mijn zorgen apart
Proberend met nieuw zucht oud leed te verzachten
Wie heeft een zwijn gemaakt van jou
Schoon schip met matrozen
Reeds verzuipend elkaar nog verachten, verkrachten
Rennend in een bos van rozen
Er was eens, nog dit heden, een leven dat teveel vroeg
Zijn pionnetjes keken hem peinzend aan
Ze begonnen van angst heel enorm hard te dansen
En allemaal dansen, dus niemand mocht staan
Hun zwart- witte voetjes werden moe, zo moe
maar de pionnetjes hielden stug vol
Hun kopjes maakten grimassen naar elkaar
En ze scheeuwden: Kijk naar ons, want wij hebben lol!
(en ze geloofden het)
En maar anderen de schuld geven van je leven
Wat is dat तोच
Laat je me dat zien laat ik me uitlokken tot uitspraken
Knetterende letters die ik zelf niet lijk te maken
Wat is dat toch
Die zwarte straal van niet nuttig opgekropte haat
Mijn mond zoveel en zoveel te vaak in gruwelijke scherpe uitroeptekens verlaat
Wat is dat toch
Het niet verzetten van mijn wiebelig zware poten
Ik wilde allang toch al daar gaan staan?
En nog steeds sta ik hier maar
wat te kloten
Wat is dat toch
Ik kan mezelf niet duwen blijf hier maar gewoon Kijk me dan kijken
niet wetend wie ik ben
Niet wetend
op wie of waar ik ooit zou willen lijken
Gadverredamme
Huilend keek ik naar mezelf. Sneihard huilend. Ouderwets tomeloos verdriet Mijn oogwit zacht en ik wilde dat het stopte. Ik wilde dat het nu eens eindelijk stopte maar ik en ik hadden samen besloten. Ik ben een hopeloos mens en ik snap helemaal geen kont van het leven. Gister nog bekeek ik je, dat je daar zo zat. Lief en klein en met jezelf. En wederom draai ik me om en in de knoop. Gisteren en vandaag kan ik vergeven maar echt hoe moet dat verder.
Ik weet dat ik nooit zou kunnen vergeten dat ik vergat.
Cirkel door haar hoofd mijn vrind het jong is vies maar onze adem toch ook. Kan zij haar verbittering tegengaan koestert de momenten op haar mooie zwarte fiets. Geef haar een lekke band zodat ze kan lopen. De mens tegemoet. Het is tijd voor een vrolijke noot er zijn er zoveel die een glimlach verdienen. Wat moet je van me. Ik ben blij met mijn muizen. Ze zijn geen kat en ze houden niet van me denk ik maar we ontbijten samen met mueslibol en banaan.
Ja hij zit er nog steeds maar negeer hem gewoon dat kan hij ook heel goed. Zogenaamd zijn we druk, te druk met figuurpoepen en prietpraten. Negeer hem alsof hij er al heel lang is of lang niet meer. Met zijn staart tussen zijn kloten zal hij wegkruipen afdruipen en we negeren hem. We liggen toch eigenlijk prima onder ons dekbed. Eigen schuld.
Gulpengraaiers en schuinsmarcheerders
Ik ben geschrokken van jullie en ik blijf maar schrikken
Paniek verlamd mij als ik wakker word van de zoveelste knagende nacht
Er kan geen pil tegenop. Waar moet het heen waar moet ik heen als het hierheen moet
Ik blijf je zoeken we blijven rennen springen in elkaars armen zullen we elkaar en onszelf blijven verraden. Het voelt zo raar.
Angst is verraad die niet vergaat bij de tandarts.
Abonneren op:
Posts (Atom)